Het landgoed Elswout en de zandafgravingen
Als kind, kijkend naar het westen vanuit mijn slaapkamer in de Bloemveldlaan, was ik altijd gefascineerd door de tussen de bossen opdoemende heuvels op het landgoed Elswout. Wat waren dat voor heuvels in ons bijna overal zo platte Nederland? Pas later besefte ik dat dit het begin van de de duinen was; als je bleef lopen kwam je toch vanzelf bij de zee? Uit onderzoek bleek dat mijn voorouders altijd woonachtig zijn geweest aan de binnenrand van de duinen, op de lijn Noordwijkerhout-De Zilk-Vogelenzang-Bloemendaal, en daar een bestaan probeerden op te bouwen. Met akkerbouw en veeteelt lukte dat zoals beschreven marginaal, maar de eerste eigenaren van het landgoed Elswout hadden een lucratievere manier gevonden om met dat duinzand om te gaan...Rond 1633–1635 richtte de Amsterdamse handelaar Carel (Carl) du Moulin, actief in de
Russische handel, een buitenplaats op in de duinen bij Overveen. Hij liet duingrond
afgraven om zand te verkopen aan steden als Haarlem en Amsterdam voor de
stadsuitbreidingen. Hij gebruikte de opbrengsten om zijn buitenplaats aan te leggen.
Na du Moulin’s faillissement (ca. 1654) kwam het landgoed in handen van Gabriel
Marcelis, die het de naam "Elswout" gaf. (vertaald: “els-woud”). Hij zette de verkoop van
zand voort en legde een formele Franse tuinaanleg aan. Ook zijn rechte lanen, restanten van
de klassieke aanleg, zijn nu nog herkenbaar. Het poortgebouw en twee koetshuizen uit deze
periode zijn bewaard gebleven.
Om het zand van de afgegraven duinpannen naar Haarlem te vervoeren liet hij een vaart
graven: de Marcelisvaart. Via de Houtvaart en de Brouwersvaart bereikten de zandschuiten
Haarlem. Van belang was de sluis die hij liet bouwen waar de Marcelisvaart het landgoed
binnenkomt. Dankzij deze sluis beschikte Elswout vanaf die tijd over een eigen, gesloten
waterhuishouding. Dit was uiteraard bijzonder handig voor de zandwinning. Het zand werd
afgevoerd met schuiten en dan is een constante waterhoogte wel zo efficiënt. De Marcelis’
zandvaart (de Marcelisvaart) functioneerde als de navelstreng; bouwmaterialen werden
aangevoerd en het zand werd via deze route afgevoerd naar Haarlem waar het gebruikt werd
voor de stadsuitbreiding en het dempen van grachten.
Tussen 1781–1794 herschikte Jacob
Boreel het landgoed met kronkelende paden, beken, bruggetjes en grote hoogteverschillen
en creëerde een “klein Zwitserland”-achtig decor in de romantische Engelse tuinstijl.
In 1805 neemt de rijke financiersfamilie Borski het landgoed over. Bouwplannen voor een
nieuw huis en bijgebouwen worden gestart. In 1882 begint de bouw van het huidige “Grote
Huis” in opdracht van Willem Borski III. Na zijn overlijden in 1884 wordt de bouw abrupt
stilgelegd; alleen de gevels, terrassen en het boothuis stonden restantsgewijs overeind. In
de 20ste eeuw is het “nieuwe” huis wel nog stapsgewijze verbeterd, voorzien van een dak en
gebruikt als school en gemeentewerf en later overgenomen door Staatbosbeheer in 1970. In
2003 startte vastgoedondernemer Luigi Prins een grondige renovatie van het gebouw, die in
2023 succesvol werd voltooid.
De Borski's in Overveen
Toen mijn voorouders nog in de duinboerderij woonden hoorde Middenduin bij het landgoed Elswout. De familie Borski had de grond en opstallen gekocht in 1810, dus enkele jaren na het mislukken van de landbouwassociatie (zie hieronder). De Duinlustweg bestond toen nog niet, het was een aaneengesloten gebied. Wie waren deze Borski’s en welke stempel hebben zij gedrukt op Overveen en omgeving?
Willem Borski I (1765–1814) was een rijke én invloedrijke financier/bankier uit Amsterdam. Hij
trouwde met Johanna Jacoba van de Velde, later beter bekend als “de weduwe Borski”.Toen
de Borski’s de buitenplaats Elwout aankochten, verkeerde het in deplorabele staat. Het
zeventiende-eeuwse hoofdgebouw van Jacob van Campen uit 1633 was onbewoonbaar en
daarom sliep de familie de eerste zomers in het poortgebouw. Het huis werd verbouwd en
uitgebreid. Er kwamen bruggen en afrasteringen werden hersteld. Prieeltjes, een fazanterie,
een ijskelder, moestuin en kassen voor ananassen, druiven en abrikozen verfraaiden het
landgoed. Binnen enkele jaren hadden de Borski’s er een ontmoetingsplek voor de hoogste
kringen van gemaakt.
Haar zoon, Willem Borski II (1799–1881), had het landgoed Elswout als hoofdverblijfplaats.
Hoewel hij in 1861 ook eigenaar werd van Belvedère, het landhuis in Overveen ten zuiden van de latere spoorweg
(1881), was Elswout het centrale familiebezit en de plek waar hij het grootste deel van zijn
leven woonde. Willem Borski II was zeker zo’n goed financier als zijn vader Willem en moeder Johanna. Hij verschafte
onder meer grote kredieten voor de aanleg van spoorwegen, in Nederland én Amerika. Zo
speelde hij een cruciale en strategische rol bij de aanleg van de spoorlijn Haarlem–
Zandvoort. Zijn invloed als grootgrondbezitter en lid van de Provinciale Staten van Noord-
Holland gaf hem de macht om het traject van de spoorlijn te beïnvloeden ten gunste van zijn
landgoed Elswout dat tot aan de huidige Zeeweg strekte. Toen er plannen werden gemaakt
voor de spoorlijn tussen Haarlem en Zandvoort, dreigde het tracé dwars door zijn landgoed
te lopen. Dankzij zijn politieke invloed wist hij de spoorwegmaatschappij ervan te overtuigen om
het traject langs het landgoed te laten lopen, in plaats van er dwars doorheen. Hij bedong
bovendien dat er een station Overveen zou komen, vlak bij Belvedère, wat hem een eigen
toegangspoort tot het spoor opleverde. Dit was ook een meesterzet: hij beschermde zijn bezit,
verhoogde de waarde van het landgoed, en kreeg een kosteloze begrenzing van zijn
terrein...Hij stierf op 1 januari 1881 op Elswout en heeft de plechtige opening van station Overveen
twee maanden later niet meer mee mogen maken.
De Borski’s moeten trots zijn geweest op het aangekochte grondbezit. Vanuit hun
westelijke uitkijkpunt op het landgoed Belvedère (nu het kopje van Overveen) konden zij
een panoramische blik werpen op hun eigendommen; de omliggende bossen en duinen met
de zee op de achtergrond. Op het volgende kaartje is te zien hoe groot dit gebied geweest is, zeker
als je het vergelijkt met de bebouwde kom van Haarlem eind 19de eeuw. Kinderen, kleinkinderen en
achterkleinkinderen van de Borski’s erfden de landhuizen en
landgoederen en breidden ze verder uit, en zo ontstond door de jaren heen een lange strook
van Borski/Van Vliet/Luden bezit, die liep van Bloemendaal via Overveen tot en met
Aerdenhout. Te noemen zijn: Hartenlust, Lindenheuvel, Overbeek, Bloemenheuvel, De
Beek, Belvedère, Vaart en Duin, Duinlust, Middenduin, Elswout, Duinvliet, Koningshof en
Oosterduin.
Het landgoed Vaart en Duin
Het landgoed Duinlust
De mislukte landbouwassociatie Middenduin
Middenduin dankt zijn naam aan het gehuchtje Middenduin, dat bestond van 1722 tot 1807. Dit dorpje lag in het gebied waar nu nog de duinboerderij aan de Zeeweg te vinden is. In vroeger tijden was het Middenduin onderdeel van het ‘Zwarte Veld’, een gebied vanaf de huidige Zijlweg in Haarlem tot aan de zee. De ‘wildernis’ had toen maar één gebruiksdoel; de jacht op konijnen. Als de Spanjaarden in 1573 Haarlem belegeren en de streek plunderen, krijgt het konijn helemaal vrij spel. Dit zorgt voor grote schade aan het duin; de verstuivingen zijn zo ernstig dat het vrijwel onmogelijk is met paard en wagen naar Zandvoort te rijden. In 1722 komt het ‘Swarte Velt’ in handen van de toenmalige eigenaar van Elswout en verandert een aantal keer van eigenaar. Aan het eind van de 18e eeuw lukt het om de konijnenstand onder controle te krijgen, niet in de laatste plaats dankzij de Franse troepen die hier waren gelegerd en het konijn op hun menu hadden staan.In de Franse tijd (1795) werd de landbouwassociatie Middenduin opgericht met het doel om de ‘onontgonnen schatten’ (sic) van het duin te ontginnen. Ondanks de pogingen met akkerbouw, werden de zandige bodem en de nog steeds overvloedige konijnen een probleem. De schapenteelt was wel succesvoller: rond 1800 werden circa honderd lammeren geteld. Overdag graasden de schapen in het duin, ’s nachts stonden ze in een potstal voor mestproductie. Hoewel de zandgrond niet ideaal was voor intensieve landbouw, vooral vanwege het stuifzand en de vele konijnen, werd er toch zoveel mogelijk slim gebruik van gemaakt. Op de hoger gelegen zandgronden rond Middenduin werden vooral droogtebestendige gewassen geteeld: rogge, haver, aardappelen en groenvoedergewassen. Veel van het gebied werd gebruikt als weidegrond voor schapen en rundvee, omdat zoals al beschreven, intensieve akkerbouw lastig was en de mest ook nodig was om de schrale duingrond vruchbaarder te maken.
Last Revised: December 2025
Wil van Roode