Haarlem en Overveen liggen op strandwallen die tussen 5000 en 4000 jaar geleden zijn gevormd
door de zandaanvoer vanuit de zee.
Deze parallel aan de kust lopende zandige verhogingen werden
door de eerste bewoners van Kennemerland in gebruik genomen voor bewoning en akkerbouw.
De strandwallen waren ook de eerste verdediging tegen de alsmaar oprukkende zee, vaak zonder
succes, dan werd alles weer teruggenomen door de zee. Nieuwere strandwallen waren steeds iets
hoger dan de voorgaande, omdat de zeespiegel bleef stijgen. Zo kon de kust zich steeds verder
naar het westen verplaatsen. De jongste strandwallen liggen op ongeveer 4-5 meter boven NAP.
Het ontstaan van de strandwallen ging door tot het begin van onze jaartelling. De aanvoer van
zand vanuit de Noordzee werd toen steeds minder. Boven op de strandwallen ontstonden, onder
invloed van aanlandige wind, lage duinen, de zogenaamde oude duinen. Deze liggen op maximaal
tien meter boven NAP. De vroege bewoners van Kennemerland zagen al snel in dat deze hoger gelegen
gebieden zeer geschikt waren voor bewoning.
Klimaatverandering en het ontstaan van de nieuwe duinen
Aan het einde van de vroege middeleeuwen
veranderde het klimaat [U leest dit goed]; de temperatuur daalde en er stond vaak een harde wind.
Deze periode staat nu te boek als de Kleine IJstijd. Er traden in het hele Nederlandse kustgebied regelmatig stormvloeden op
die ervoor zorgden dat een groot gedeelte van het strandwallensysteem werd afgebroken en het zand
weer in zee terechtkwam. Later spoelde dit zand door de onrustige zee opnieuw aan op de kust.
Doordat de vegetatie door de klimaatverandering sterk was aangetast kreeg de wind vrij spel met het zand.
Zo ontstonden door de aanlandige wind de nieuwe (of jonge) duinen, die de oude strandwallen deels bedekten.
Op het kaartje hieronder is dit het felgele gebied, grenzend aan de zee.
Op de strandwallen die niet werden opgeslokt door de nieuwe duinen, zoals die van Haarlem en Overveen,
groeiden dichte bossen. Tussen de strandwallen, op de strandvlakten, ontstonden veenmoerassen.
Dit veengebied heeft Haarlemmers later geïnspireerd om Overveen zijn naam te geven.
Vanuit Haarlem ging je "over het veen" naar het dorp, de duinen en de daarachter liggende zee.
Het Overveense landschap rond 1850
Ontbossing
Delen van de strandwallen zijn al in de eerste helft van de Middeleeuwen ontbost voor de akkerbouw.
En in de tweede helft van de Middeleeuwen, toen Nederland een sterke bevolkingsgroei doormaakte,
werden ook de vochtige bossen en veenmoerassen op de strandvlakten ontgonnen. De namen van buurtschappen
en buitens als Tette-rode, Brede-rode herinneren nog aan de tijd dat die bossen
drastisch gerooid werden. Deze Rode’s liggen op de strandwallen. Het onherbergzame duingebied,
met zijn stuivende zandvlakten en moerassige valleien, is in de loop der tijd grotendeels onaangeroerd gebleven.
De Heren van Brederode
De Heren van Brederode speelden een actieve rol in de ontginning van Kennemerland rond Bloemendaal en Overveen.
Ze organiseerden de verdeling van land, vestiging van kolonisten, aanleg van waterwegen en het beheer van
pacht en herendiensten, en bepaalden zo het huidige landschap. De Brederodes haalden boeren uit andere streken (Friesland, Utrecht, Kennemerland zelf)
om het land te ontginnen. Deze boeren betaalden pacht of moesten herendiensten verrichten.
Hierdoor ontstonden nieuwe nederzettingen: het latere Bloemendaal en Overveen.
Hun kastelen en hofsteden op de strandwallen vormden het bestuurlijke en
defensieve centrum, terwijl de lager gelegen gebieden werden ingericht voor landbouw en nederzettingen.
Zo zorgden zij ervoor dat het gebied bewoonbaar en economisch rendabel werd, wat hun macht en invloed
in de regio versterkte.
De Brouwerskolk
In de middeleeuwen werden Overveense duinen aanvankelijk gezien als onbruikbaar, gevaarlijk en onbegaanbaar.
Daar kwam verandering in toen de groeiende stad Haarlem zijn invloed steeds meer liet gelden. Zandvoortse vissersvrouwen
brachten hun koopwaar naar Haarlem via het visserspad dat dwars door de duinen via Kraantje Lek en het
landgoed Elswout aansloot op het pad langs de vaart naar Haarlem. Rijke kooplieden uit Haarlem en Amsterdam
kochten vervallen hofsteden en omliggende gronden op om daar hun buitenplaatsen te vestigen. De Brouwerskolk werd
in de 16e eeuw gegraven omdat het water van het Haarlemse Spaarne te vervuild raakte om gebruikt te worden door de bierbrouwerijen.
Het duinwater uit de kolk was veel zuiverder! Via de Brouwersvaart werd het water naar
Haarlem geleid, zodat het direct kon worden gebruikt voor het brouwen van bier. De blekerijen in Overveen
en Bloemendaal maakten eveneens gebruik van dit duinwater. Het werd gebruikt om linnen en garen te wassen
en te besproeien op de bleekvelden. Dit leverde de beroemde “Haarlemmer bleek” op, een wit textiel dat zijn
reputatie te danken had aan de unieke kwaliteit van het duinwater.
Brouwerskolk in 1766. De tekenaar heeft de hoogte van de duinen enigszins overschat..
Blekerijen
Vanaf de 16de eeuw domineerden de bleekvelden het aangezicht van het Overveense landschap.Dat is goed te zien
op schilderijen uit die tijd. De blekerijen lagen vaak tegen de duinrand. De bleekvelden waren doorsneden
met sloten waarin het duinwater stroomde. Het bleekproces ging als volgt. Het linnen of garen werd eerst
gewassen met het duinwater om vuil en zeepresten te verwijderen. Daarna werd het textiel uitgespreid op de
grasvelden. Door de combinatie van zonlicht en het heldere water werd het textiel langzaam wit. Regelmatig
werd het linnen besproeid met het kwelwater om het proces te versnellen en het textiel fris te houden.
Het bleken duurde vaak maanden.
Blekerijen in Overveen. Fragment uit het schilderij "Zicht op Haarlem" van Jacob van Ruisdael omstreeks 1670.
De Brouwersvaart was oorspronkelijk aangelegd voor de brouwers, maar de blekerijen langs de duinrand
konden hun bleekvelden ook aansluiten op dit systeem.De blekers lieten het water via kleine aftakkingen
en sloten naar hun bleekvelden stromen. Deze sloten werden “gietsloten” genoemd, omdat ze gebruikt
werden om het linnen te besproeien en te wassen.
Naast de aangelegde vaarten maakten blekerijen ook gebruik van het natuurlijke kwelwater dat uit de duinen
naar beneden sijpelde. Vaak lagen de bleekvelden bewust dicht bij de duinrand, zodat het water vanzelf
in sloten en greppels terechtkwam.Arbeiders schepten het water uit de sloten en goten het over het uitgespreide linnen,
of gebruikten houten bakken en emmers om het textiel te wassen.
Omdat zowel de brouwers als de blekers afhankelijk waren van hetzelfde water, ontstonden er geregeld conflicten.
De brouwers wilden het water vooral via de Brouwersvaart naar hun brouwerijen leiden, terwijl de blekers
het nodig hadden voor hun bleekvelden. Eind 16de eeuw werd het gebied rond de Brouwerskolk nauwkeurig in kaart gebracht om rechten
en gebruik vast te leggen.
Door de opkomst van chemische bleekmethoden in de 19de eeuw verloren de traditionele bleekvelden hun betekenis.
Ook de lokale brouwerijen in Overveen verdwenen geleidelijk omdat de bierproductie zich concentreerde in Haarlem
en later in grotere industriële brouwerijen.
De Hofstede Rolland
De hofstede Rolland bij Overveen lag op een oude strandwal en was al bestaand land tegen de tijd dat de
Brederodes actief waren in ontginning.
De ligging was strategisch: hoog, droog en dicht bij de route naar de duinen. Het moet gelegen hebben
in het gebied waar nu de Rollandslaan loopt. Het bood uitzicht over het
veengebied richting Haarlem en de hogere gronden richting Bloemendaal. Archeologisch en toponymisch
onderzoek wijst erop dat er al in de 13e eeuw een versterkte hofstede of kleine burcht moet hebben gestaan.
De Heren van Rolland waren vermoedelijk lage edellieden of leenmannen die hun naam ontleenden aan het goed zelf.
Ze bestuurden een klein gebied, hielden toezicht op ontginning en beheer van waterlopen,
en fungeerden soms als vertegenwoordigers van de graaf. Er is ook sprake van visrechten en houtrechten,
wat erop wijst dat de hofstede een kleine economische eenheid was binnen het duin- en veenlandschap.
In de 17e eeuw was het oorspronkelijke middeleeuwse huis grotendeels verdwenen of in verval geraakt.
De plek werd toen heringericht als een buitenplaats — een landhuis in classicistische stijl,
met sierlijke tuinen en vijvers, zoals zovele in de omgeving (Elswout, Duinlust, etc.)
In de 18e–19e eeuw raakte de hofstede definitief in verval en verdween uiteindelijk geheel.
Alleen de naam Rolland leeft voort in de straatnamen en in oude kadastrale kaarten.
Het Huis Rolland in de 17de eeuw
"Eldorado"
Het gebied waar in de Middeleeuwen de Heren van Rolland resideerden en later een luxe buitenplaats was van
rijke Haarlemmers, transformeerden zich aan het begin van de 19de eeuw tot bloembollengebied.
De bollenteelt begon in Haarlem, waar kwekers experimenteerden met tulpen, hyacinten en andere bolgewassen.
In de 19e eeuw breidde deze teelt zich uit naar omliggende gebieden zoals Overveen, Bloemendaal en Heemstede.
De duinen rond Overveen werden door zandafgravingen geschikt gemaakt voor landbouw. Deze gronden bleken ideaal
voor bollenteelt vanwege hun goede drainage en luchtige structuur. Een van de eerste grote bollenkwekers in de
regio was het bedrijf gebroeders Bijvoet, opgericht in 1828. Zij zetten delen van Bloemendaal en Overveen om in
bloeiende bollengronden. In de vroege 20e eeuw beleefde Overveen een bloeiperiode. Kweker Pieter Bosch noemde
zijn perceel “Eldorado” vanwege de welvaart die de bollenteelt hem bracht. De naam "Eldorado" symboliseerde
niet alleen economische voorspoed, maar ook de schoonheid van de kleurrijke velden die in het voorjaar het
landschap domineerden. De naam verscheen op kaarten en werd een symbool voor het succes van de streek.
De bollenteelt in Overveen was onderdeel van een bredere ontwikkeling in Kennemerland, waar strandwallen en
vochtige strandvlakten door menselijke ingrepen veranderden in tuinbouwgebieden. De combinatie van natuurlijke
bodemgesteldheid en economische kansen leidde tot een kleurrijke en lucratieve bloembollenindustrie.
Bloembollenvelden bij de Brouwersvaart. Op de achtergrond de R.K. kerk O.L.V. Onbevlekt Ontvangen