Het spreekt vanzelf dat met de toenemende industrialisatie en
werkgelegenheid in Haarlem veel arbeidskrachten naar de stad trokken maar dat de
huisvesting van die werklieden met hun vaak grote gezinnen een steeds groter probleem
werd. Eind 19de eeuw kwamen daarom de eerste arbeiderswijken buiten de singels van Haarlem tot
stand: de betere wijken op de hogere zandgronden ten zuiden en noorden van de binnenstad,
de arbeidersbuurten vooral op de veengronden ten oosten en westen van de stad.
Het waren kleine rijtjeshuizen: soms 1 maar meestal 2 bouwlagen onder een kap, slechts ca. 4–5 meter
breed, gebouwd in zeer smalle straten zonder groenvoorziening. De bouw gebeurde niet
door de gemeente maar door particuliere aannemers/speculanten die kleine blokjes huizen
optrokken en meteen verhuurden. Ze hadden een voorhuis en achterhuis met smalle trap,
vaak één kamer beneden en slaapkamers boven, zonder eigen badkamer of wc (alleen
secreet boven de sloot of gedeeld in het hof). Perceeldiepte van hooguit 8–10 meter, met
een smalle achterplaats of schuurtje. De bouwkwaliteit was slecht. De aannemers bouwden
met winstoogmerk, de gemeente droeg niet bij aan de kosten. Na de Woningwet van 1901
kwam er een verschuiving naar ruimere en beter geventileerde woningen via
woningbouwverenigingen. Het Tuindorp in Overveen werd met deze nieuwe normen gebouwd.
Het tuindorp
Op initiatief van de Bloemendaalse woningbouwvereniging “Onze Woning” begon kort na
de Eerste Wereldoorlog (1918) de bouw van het Tuindorp (hierna te noemen: Tuindorp) in
Overveen. De bouwstijl was sterk beïnvloed door de tuinstadbeweging uit Engeland. Het
was een van de eerste tuindorpen in Nederland, bedoeld om arbeiders goede en gezonde
woningen te bieden. Dit paste binnen een bredere trend in Nederland en Europa, waarbij
tuindorpen werden ontwikkeld als reactie op de slechte woonomstandigheden van arbeiders
in stedelijke gebieden. Ze kenmerken zich door lage eengezinswoningen met tuinen en veel
groen in de omgeving, en waren soms ook aantrekkelijk voor middenklasse-bewoners zoals
ambtenaren, politieagenten en middenstanders. De huizen krijgen niet alleen een fraai
uiterlijk, maar ook gas, elektriciteit en stromend water. Tuindorp is weliswaar kleinschalig
van opzet, maar voor die tijd redelijk compleet en erg modern. Door het ontbreken van
stedelijk vertier zoals kroegen en de aanwezigheid van tuinen en rustige straten, werd een
fatsoenlijk, burgerlijk karakter nagestreefd.
Tuindorp in 1920, kleine maar keurige splinternieuwe huizen! (bron:NH Archief)
Annexatie door Haarlem
Behoorde het tuindorp aanvankelijk nog tot de gemeente Bloemendaal (waar de
woningbouwvereniging “Onze Woning” immers het initiatief had genomen tot de bouw), in
1927 werd dit gebied geannexeerd door Haarlem. Ondanks heftige protesten is de gemeente
Bloemendaal in dat jaar een lap grond van circa 250 hectare, 615 woonhuizen, 35
bedrijfspanden en meer dan 2000 inwoners kwijt geraakt aan de gemeente Haarlem.
Bloemendaal verloor: het IJsbaangebied (de Krim), het Zijlweggebied, het
Ramplaankwartier, waar tuindorp deel van uitmaakt, en Oosterduin. Dat gebeurde bij wet
van 21 april 1927. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer bleek gevoelig voor de
argumenten van de gemeente Haarlem en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland om
Haarlem meer ruimte te bieden voor groei en ontwikkeling. Er waren tal van argumenten die
de gemeente Haarlem te berde bracht om zijn gelijk te halen. Te noemen valt: meer
ingezetenen, invloed op de winning van drinkwater, betere beheersing van het verkeer,
Bloemendaal laten bijdragen aan de Haarlemse financiën, meer bouwgrond voor het
realiseren van arbeiderswoningen. Haarlem had in 1927 weinig vertrouwen dat de gemeente
Bloemendaal voor haar eigen arbeiders woningen zou gaan bouwen. Woningbouw voor
arbeiders zou bij Haarlem in betere handen zijn. In het door Haarlem van Bloemendaal
afgepakte gebied zijn echter na 1927 weinig tot geen arbeiderswoningen gebouwd.
Door externe factoren als crisistijd, Tweede Wereldoorlog en de noodzaak om nadien de
Haarlemse samenleving weer op te bouwen, is de groei van Haarlem in westelijke richting
aanzienlijk vertraagd.De historische paradox is dat Bloemendaal kort voor de annexatie in 1927
in het Ramplaankwartier wel arbeiderswoningen gebouwd heeft voor Haarlem (Tuindorp)
maar andersom gebeurde dat nauwelijks. De woonwijken van het Rollandslaangebied zijn
grotendeels gebouwd in de jaren 1930 (huizen aan de Rollandlaan zelf) tot 1950
(de wijken ten noorden en zuiden van de Rollandslaan) en waren bedoeld voor de middenklasse
en hogere middenklasse.
In de jaren 1918-1920 ontstond het Tuindorp. Veel van het Ramplaankwartier bleef nog
tot na de Tweede Wereldoorlog een gebied waar bloembollen werden gekweekt.